Ik ben uitgenodigd om de toekomstige uitvaart van mevrouw te bespreken. Ze gaat rechtop zitten, kijkt me indringend aan en zegt: als ik dood ben wil ik graag nog een boottochtje maken, kan je daarvoor zorgen? Als ik antwoord dat die mogelijkheid er zeker is zakt ze opgelucht terug in haar kussen.
Zo varen we op de dag van de uitvaart, een uur lang, vanuit het dorpje waar ze met zoveel plezier gewoond heeft, naar een aanlegsteiger. Geen praktische keuze, maar haar laatste wens. Haar laatste reis moest over het water gaan. Zij hield van varen, van de beweging en het geluid van het water rond de boot.
De boot gleed traag door het landschap, het was alsof de tijd even stilstond. Het was stil aan boord, blikken dwaalden af naar de horizon, ieder had zo zijn eigen gedachten. We volgen een kronkelend pad van golven en riet, zo anders dan over een rechte weg met asfalt.
Bij de brug wachtte de rouwauto. Een vreemd contrast: de strakke zilverkleurige rouwauto tegenover het zachte groen van de wal. Daar begon het hachelijke deel van de onderneming. De steiger lag laag, de oever hoog. Het gras was vochtig, glad van de dauw. Even leek het alsof de natuur ons wilde testen: hoever ga je om trouw te blijven aan iemands liefde voor het water? Het was een klauterpartij die de familie deed glimlachen door de absurditeit, maar ook ontroerde. Want juist in dat gezamenlijke geploeter zat iets van verbondenheid, van het samen dragen.
Boven, op het droge, stonden de auto’s al klaar. De laarzen gingen uit, de nette schoenen aan. Het ritueel van omkleden voelde bijna plechtig: alsof er een grens overgestoken werd van het alledaagse naar het ceremoniële. Deze reis liet zien dat liefde voor het water niet ophoudt bij de dood, het water droeg haar nog één keer.






